Brief aan Alice

26 november 2019

Tien jaar geleden, tijdens mijn eerste stage als docent, zette ik Alice de klas uit. Alice had ADHD. Ze was druk en zat de orde (waar ik zo mee worstelde) in de weg. Na schooltijd gingen we in gesprek en dat werd een van mijn belangrijkste lessen. Voor VPRO Tegenlicht schreef ik haar een open brief.

Alice,

Wat de juffen over mijn dochter zeggen, geldt ook voor jou: je bent intens. Je energie, all over the place en je moeite met ‘nee’.

Uiten is zo makkelijk niet; uitbarsten wel. Je leerde hoe je armen kruist, een vuist vormt en boos kijkt als jij je niet begrepen voelt. Dit zet je vaak in.

En ik probeerde je te begeleiden. Maar: anticiperen is zo makkelijk niet; corrigeren wel. Zeker op een allereerste stage als docent met nog wat grove mankementen aan mijn klassenmanagement.

En beiden vechten we voor ruimte, één waar we lichtjes op kunnen hangen. Ruimte waarin onze plannen passen. Maar ik heb voor jouw vechten soms geen tijd, want: 31 andere leerlingen en okselzweet. Ik zie het regelmatig uit mijn vingers glippen.

Dus: houd je mond, Alice. Klets niet; geef geen weerwoord. Ik dreigde iets te snel met een verwijzing naar de rector, dus wat denk je? Jij bleef zoeken naar de grens. En toen moest ik wel consequent zijn.

Kijk, wij varen wel bij kaders, maar hebben ruimte nodig. Meer dan strenge vaders. Buiten de norm, want onze motor dreigt verkeerd gebruikt te worden. Maar door te begrijpen hoe die werkt en met het juiste onderhoud heb ik de overtuiging óók vooruit te komen.

Wij gingen in gesprek. Ik voelde voor het eerst: ja, dit is de docent die ik wil zijn. Omdat jij voelde: hij ziet geen leerling, hij ziet mij. Geef mij eens inzicht, zei ik. De volgende dag kwam je binnen met drie grote boodschappentassen vol snoeren met knipperlichtjes. Die hing je kriskras door de klas. Je stak de stekker in het stopcontact en zei: dit is mijn hoofd.

En ja, daar moet je wel iets mee. Of nee, wij moeten hier iets mee. Wij docenten, wij vaders, wij mensen die de knipperlichtjes terug in de tassen willen stoppen.

Wij die zonnebrillen willen geven, of een pilletje dat alle lichtjes dooft. We kunnen kijken waar de lichtjes in de ruimte passen. Hoe je ze vasthoudt, en af en toe uitzet. Maar zet ons nooit de klas uit, het is donker op de gang.

Dus sorry, Alice, dat ik boos werd. Ik zie de lichtjes ook. Ik hoop dat je de spanning en de ruimte vond. Je was mijn spiegel als docent en als mens. Zo’n mooie grote, weet je wel, met van die mooie knipperlichtjes rondom.